| Pantijn |
|
In de twintigste eeuw Vanaf 1900 raakte het eeuwenoude volkspoppenspel in verval. Behalve de film en later de televisie droegen ook andere technische ontwikkelingen daartoe bij, zoals het verkeer met zijn lawaai en uitlaatgassen, het geschal van geluidsinstallaties op kermissen, waar de stem van de poppenspeler niet bovenuit kon klinken.
De echte traditionele volkspoppenkast werd een zeldzaamheid, Jan Klaassen en Katrijn, de diender en de bakker, ze raakten meer en meer verzeild in de kinderkamer, op scholen en partijtjes. Niet de geoefende hand van de poppenbaas, die kou en vermoeidheid had getrotseerd, vulde het lappenlijf van de poppen, maar die van onderwijzers, amateurs en ouders. De pittige, ruwe volksstukjes werden vervangen door teksten met een pedagogische strekking. Jan Klaassen was zichzelf niet meer. Ondanks alles is het oude ronzebonsie nooit geheel uit het straatbeeld verdwenen. Er bleven spelers die de traditie in stand hielden. In Utrecht trad nog lang de befaamde familie Hofman op, waarvan meerdere telgen poppenspelers waren. In Rotterdam stond Gerard Remmerts met zijn kast. Diens zoon, Gerard jr., volgde hem op en reisde met
zijn poppenkast het land door. |
In de twintigste eeuw
|
| Pantijn |