|
Er waren voor 1800 in het Engelse poppentheater reeds een aantal vaste
personages naast Punch: zijn vrouw Judy, nog enkele andere
commedia dell'arte figuren, de duivel (die aan het slot altijd Punch
naar de hel droeg), een dokter, een politieagent. Omstreeks 1800 ontstond er
een stramien van vaste stukjes. Dat zou te maken hebben met de techniek van
het handpoppenspel. De speler, die in zijn eentje in de kast stond, kon met
beide handen slechts twee poppen tegelijk bedienen. Het toneel mocht niet
leeg zijn, anders zou het publiek weglopen. Daarom zorgde de poppenspeler
ervoor dat één personage, de hoofdfiguur Punch, vrijwel voortdurend
op het toneel was. Hij nam hem op de rechterhand, terwijl op de linkerhand
telkens een andere
|
|
figuur kwam om een
korte scène met Punch op te voeren.
Iedere tegenspeler van Punch
moest dus op een zeker moment weer van het toneel verdwijnen. Daarvoor
had men een zeer practische oplossing: de stok! Hiermee werd elke
tegenspeler het zwijgen opgelegd. Dit was de meest effectieve manier om een
scène te beëindigen en een nieuwe te beginnen.
Speaight meent dat het merendeel van de
scènes in Engeland is ontstaan.
Het is echter aannemelijker, dat er in verschillende landen een vast patroon
in de poppenkast ontstond en dat door onderlinge beïnvloeding een repertoire
groeide dat internationaal werd.
|